Beeld in de kijker

Signaal van Zellik naar ontwerp van Jacques Moeschal

Signal (1964) - Signaal van Zellik Jacques Moeschal (1913-2004) Volledig ter plaatse bekist en gestort, krult een voorgespannen betonnen plaat zich gracieus op volgens een abstracte curve. Een monumentale sculptuur op een drieëntwintig meter hoge sokkel. Een uitgestrekte, open hand als hedendaagse baken in het landschap. Reeds vanop afstand geleidt het ‘Signaal van Zellik’ met een uitnodigend gebaar het voorbij scheurend verkeer de hoofdstad binnen. Bij haar inhuldiging in 1964 diende dit monument het gloednieuwe Belgische wegennet een menselijk gelaat te geven. “Du béton destiné à ‘humaniser’ l’autoroute”. Signal. Een schemerzone tussen infrastructuur, architectuur en sculptuur. Dit geniaal stukje bouwkunst langs de E40 Brussel-Oostende van kunstenaar Jacques Moeschal (1913-2004) kwam er begin jaren 1960 in opdracht van het Ministerie van Openbare Werken als sluitstuk van het pas voltooide westelijk deel van de Brusselse Ring. Voor de aanleg van de Belgische snelwegen hadden de nationale administraties voor Bruggen en Wegen in ijltempo aan het vijftienjarenplan van hun directeur-generaal Henri Hondermarcq (1949) voortgewerkt. Aan de vooravond van Expo ’58 was het eerste wegvak van de ring tussen Groot-Bijgaarden en Strombeek-Bever gebruiksklaar, goed om de stroom van 4,2 miljoen binnen- en buitenlandse bezoekers die met de auto naar de Heizelvlakte afzakten in goede banen te leiden. Ter bekroning van de heuse infrastructuurwerken werd Moeschal in 1959 belast met het ontwerp van een nationaal monument. Met deze opdracht was de leerling van de Brusselse meester Henry Lacoste (1885-1968) niet aan zijn proefstuk toe. Voor het inrichtend comité van Expo ’58 werkte Moeschal reeds samen met architect Jean van Doosselaere en ingenieur André Paduart aan het Belgisch paviljoen ‘La Flèche du Génie civil’: een futuristische pijl in gewapend beton met een oversteek van 80 meter die als een raket uit haar lanceerbasis opveert. Aan het gevaarte van 400 ton werd een loopbrug opgehangen van waarop verbaasde bezoekers een driedimensionale hoogtekaart van België op schaal 1/3500 konden overschouwen. Het paradenummer van de Belgische afdeling op de wereldtentoonstelling was bedoeld om de ingenieurskunst van eigen bodem in de schijnwerpers te plaatsen. “On fait quelque chose d’extraordinaire ou rien du tout!”. Op de Heizelvlakte kon de kunstenaar ook in het Philipspaviljoen van Le Corbusier even verderop de sculpturale kracht van beton als hedendaagse oermaterie met eigen ogen aanschouwen. Net zoals bij het technisch huzarenstuk “la flèche” maakte Moeschal voor het monument in Groot-Bijgaarden handig gebruik van dit ruwe bouwmateriaal en zou hij de ingenieurskunsten opnieuw inlassen voor het uitgepuurd ontwerp. In de middenberm ter hoogte van het rondpunt aan het knooppunt in Groot-Bijgaarden verrijst Moeschals brutalistische totem, een poëtisch manifest in ruwe beton als “drager van het genie van onze soort en onze tijd”. Naar aanleiding van het eerste internationale beeldhouwerssymposium in St. Margarethen (Sankt Margarethen im Burgenland) in Oostenrijk had Moeschal zijn ideeën over het belang van kunst langs de openbare wegen reeds neergeschreven. Zijn sociaal-artistiek pamflet “La Route des Hommes” (1959) werd een ode aan de snelweg. Al van oudsher heeft de mens de behoefte om kentekens langs wegen op te richten. Een vertaalslag naar het moderne tijdperk leert ons dat men door het plaatsen van monumentale sculpturen het monotone uitzicht van de grijze, gebetonneerde snelwegen kan doorbreken. Signal (1964) in Groot-Bijgaarden werd het eerste monument op dergelijke schaal in een reeks van ‘signalen’ die Moeschal in deze ontwerpvisie zou produceren. Om spaarzaam om te springen met gewicht en grondstof bedacht Moeschal samen met ingenieur Georges Moussiaux een holle kolom, waarop het betonnen gordijn van 100 ton balanceert en zich langzaam ontvouwt. De materie is bewust ruw gelaten. Brutaal. Een betonnen huid waarop de afdrukken van de bekistingsplaten de polsslag van het beeldhouwwerk lijken aan te geven. Op de stellingen zwoegden een viertal arbeiders van het Brusselse aannemersbedrijf Louis De Waele in 1963 naarstig aan het monument van de toekomst. Kunst in de publieke ruimte in haar meest pure vorm. Een werf. Ver weg van de galerie en het burgerlijk salon. Zoals Moeschal het zelf liefst wilde. Of in zijn eigen woorden: “Les chantiers sont mes salons”. Het Signaal van Zellik naar ontwerp van Jacques Moeschal werd in 2013 opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Het kunstwerk werd in 2018 beschermd als monument, omwille van de historische waarde, architecturale waarde, artistieke waarde, ruimtelijk-structurerende waarde en technische waarde. In BOZAR loopt nog tot 21 juli 2021 de tentoonstelling ‘Jacques Moeschal. Architecture sculptures’ die overzicht brengt van zijn architecturaal en sculpturaal werk, waarin Signal (1964), beter gekend als het Signaal van Zellik, een prominente plaats inneemt.

Naar afbeelding